Time flies

Moos is jarig en we maken hem wakker met een suikerzoete birthdaycake met 15 brandende kaarsjes. Wat kleine cadeautjes en een frisse ochtendduik verder zitten we aan het ontbijt. Ik kijk naar mijn grote zonen. 13, 15 en bijna 18. ‘Time flies’. Het is het staartje van onze reis. Vandaag vertrekken we naar Santa Barbara. Nog twee dagen op het strand zitten, beetje surfen en zwemmen in The Pacific en verse vis eten en dan gaan we weer aan ons normale leventje beginnen. Nog even genieten van het prachtige landschap en elkaar en dan vliegen we terug. Ik rij door de wijnvelden van California en staar een beetje stilletjes naar de lange weg voor me. Aan de ene kant wil ik wel weer terug. Ik ben er bijvoorbeeld wel klaar mee om uit mijn koffer te leven. Het is vast fijn om weer in mijn eigen bed te slapen, met de hond te wandelen, zelf te koken en mijn yoga-routine op te pakken. Ik heb alleen geen zin in wat daarna komt. Ties gaat het huis uit, heerlijk voor hem, moet ook, maar ik moet even wennen aan het idee. Goede vrienden gaan terug naar Nederland of vertrekken ergens anders naar toe, mijn boek wil maar niet vlotten, de angst om stil te staan ligt op de loer….en nu ik met mijn vriendinnetje langs de West Coast tour en Whatsapp vriendengroepjes, waar ik nog deel van uitmaak, overuren draaien, overvalt me het gevoel van eenzaamheid of ‘missing out’. En dat gevoel, daar heb ik nog even helemaal geen zin in. Gelukkig gaan we over een dikke week ook alweer naar Nederland en kan ik me weer even laven aan al die leuke en lieve vrienden en familie. In Santa Barbara aangekomen, hebben we berenhonger en vertrekken we direct naar het strand. Het valt direct op hoe Spaans het hier eigenlijk is. De kerk, het theater, de straatnamen. We lunchen laat en veel in een houten vis shack in de haven, lopen nog wat rond en gaan terug naar ons hotelletje. Moos is Mr. Relax himself en vindt alles prima op zijn verjaardag. Beetje chillen, beetje zwemmen, beetje lezen, beetje ‘Game of Thrones’ kijken. Ik kijk naar drie broers die met elkaar de grootste lol in het zwembad hebben. Ik zie de drie kleine jongetjes met lange haren en zwemvleugeltjes zie ze waren voor me.  ‘S avonds lopen we over State-street en eten we ijs en crêpes. Nog één dag en dan gaan we weer. Het is een prachtige reis geweest.

Advertisements

17 mijl

Als we op onze nieuwe plek aankomen, is het even wennen. De reis duurde lang, we hebben honger, installeren duurt even en de foto’s van de lodge in Pacific grove zagen er op het internet toch net wat anders uit. Het zwembad (je) is aan de overkant avond de straat, de hot tub ruikt naar zwavel en de ‘firepits’ zijn nergens te vinden. Dat is het nadeel. Als je al bijna drie weken iedere dag zoveel moois ziet, wordt je verwend. Het humeur van met name Moos en mij is niet te harden. We maken ruzie en eten ons ontbijtje met lange tanden. ‘Nog een paar dagen en dan ben je van ons af’, snauw ik hem toe. Als we even later de auto instappen om naar John Steinbeck’s Cannery row te gaan, slaat de stemming om. Hoe prachtig is deze kust! Zeehonden liggen te zonnen op de rotsen en pelikanen vliegen in grote groepen over het wilde water van de Pacific. We lopen een stukje en de jongens klimmen over de rotsen naar beneden om de dieren van dichterbij te bekijken. Grote ogen kijken terug maar ze blijven liggen. De uren daarna in het aquarium werken voor ons, ondanks de drukte, rustgevend en het ijsje wat we eten tussen de reclameborden van ingeblikte vis, de houten visafslagen van weleer en de toeristische attracties, smaakt heerlijk. De dag wordt nog leuker als we de ’17 miles’ langs de kust naar Carmel rijden. Pebble beach, the lonely tree, waanzinnige huizen en prachtige vergezichten. Wat is het hier mooi en wat is het hier fijn. Het ruikt hier naar pijnbomen en bougainville, net zoals in Zuid-Frankrijk. Geen wonder dat er een heleboel restaurantjes met Franse namen in het dorpje zijn. We lunchen in La Bicyclette waar zelfs de tour wordt bijgehouden en de rosé uitsluitend uit Frankrijk komt. Voldaan rijden we terug naar Pacific Grove waar ons plekje er in de zon ineens heel anders uitziet.

Perfect day in the bay

De dag begint koud en mistig. Her en der liggen de zwervers van San Francisco op de stoep onder dekens en jassen. Ik zet mijn te warme koffie naast een slapende zwerver neer en verbaas me toch weer hoe veel het er hier eigenlijk zijn. Okay, als je al voor een zwervend bestaan zou kiezen, is het klimaat het hele jaar door redelijk geschikt om buiten te leven. Maar met een gemiddelde huizenprijs van 5 ton en heel Silicon Valley dat hier het leven bepaald, is het hier ook onbetaalbaar duur. Ik fiets achteraan. Eigenwijs als ze zijn, hebben Moos en Doede geen trui of jas bij zich. Bibberend zitten ze op de fiets en we moeten de brug nog over. Tig dollar armer en onder luid ouderlijk (we hebben het jullie toch gezegd, waarom luisteren jullie niet etc.) protest schaffen we er twee aan in de souvenirwinkel op pier 39. De verplichte fietshelmen bungelen aan hun stuur want die weigeren ze ook op te zetten. De andere familie is ook klaar voor vertrek en met z’n elven fietsen we naar The Golden Gate. Straf windje, steile hellingen en weinig zon maar wat een uitzicht en hoe hoog is deze brug wel niet. En gelukkig zien we van dichtbij ook dat ie rood is. We racen de berg weer af richting Sausalito waar we neerstrijken op een terras. De pubers hebben honger en dorst. De schaal met calamari en crabcakes is op voordat wij er ook maar naar hebben kunnen kijken en de grote glazen met Roy Rogers (cola met grenadine en sprite???) worden naar binnen geklokt. Dikke hamburgers met gebakken ei en vette steaks volgen. Een zeeleeuw steekt zijn kop boven het water en de zon verdrijft de mist boven de baai. De skyline van San Francisco, Alcatraz, de heuvels rond de baai, een zeilboot vaart schuin aan de wind. Wat zitten we hier fantastisch met z’n allen. Eén van mijn jongens denkt er anders over en zit jaloers te mokken in een hoekje. Zijn broer krijgt net wat meer aandacht dan hij. Even later, als de stoelen gewisseld zijn, fleurt hij gelukkig weer op. Terug pakken we de boot. De wind door mijn haren ontnuchtert en het koele water nevelt af en toe wat in mijn gezicht. Wat een perfect dagje is dit. Als we aanmeren, nemen we kort afscheid. We reizen verder naar Monterey en zien elkaar daar morgenavond weer.

Vrienden op Alcatraz

De mist trekt op over San Francisco Bay als Doede en ik, al nippend aan onze cappuccino-to-go, langs de waterkant naar Pier 33 lopen. Ties en Moos pakken samen een kappertje en Jim is aan het sporten. We hebben even samen de tijd. Mijn jongste praat honderduit over de toekomst. Hij heeft grootse plannen in de muziekindustrie. Tekstschrijver of producer, dat lijkt hem wel wat. Ik luister naar hem en zeg hem dat ik dat helemaal zie zitten. Hij glundert van oor tot oor. ‘Ja, mam, denk je dat ik daar goed in zou zijn?’. Op de pier waar de boten naar Alcatraz al decennia aankomen en vertrekken, zien we onze vrienden uit Den Haag. Het is een heerlijk moment. Alsof we elkaar gisteren nog zagen. Ties komt naar me toe. ‘Mam, wat is het toch op z’n Hollands super relaxed met Nederlandse vrienden’. Ondanks jetlags spelen de kids direct een spelletje en kletsen we over van alles en nog wat. Als de boot vertrekt naar The Rock zitten we met z’n allen op een rijtje. Ik denk aan de ski-vakanties die we samen hadden, onze trip naar Frankrijk en de dagen in Parijs, hoe we samen woonden in Amsterdam, onze studententijd toen we nog geen kids hadden. We kennen elkaar al bijna 30 jaar, mijn vriendinnetje en ik. Nu worden we omgeven door grote zonen en dochters, waarvan er twee van mij voortdurend om eentje van haar heen draaien. De puberdans is zo geestig om te zien. Op de boot is het kil en rond Alcatraz staat een stevige wind. De gigantische meeuwen hangen stil in de lucht. Het water klotst met witte schuimkoppen tegen de rotsige randen van het eiland. We lopen achter elkaar aan met koptelefoons door het gevangeniscomplex. Geluiden van dichtslaande metalen deuren, het gejoel van gevangenen en verhalen van ex-gevangenen en bewaarders. De isolatiecellen waar het stikke donker was en de wind die door de tralies huilt.  We lopen in het decor van ‘Escape from Alcatraz’ en ‘The Rock’. Gelukkig kunnen wij van dit eiland af. We lunchen, drinken wijn, lachen, kletsen, wandelen langs het water en gaan weer eten. We verzamelen mooie momenten en herinneringen en reizen de komende dagen achter elkaar aan. Morgen fietsen we met z’n allen The Golden Gate over. Zo fijn om met oude vrienden gewoon te zijn. In San Francisco. Dat is dan weer niet zo gewoon.

Bos of zee?

Net als we genoeg hebben van natuurparken en ‘on our way out’ zijn, zien we een beer In het wild! Ze rent de weg over en verdwijnt tussen de rotsen en het struikgewas. Gelukkig hebben we de foto als bewijs. This is our lucky day! Doede oppert dat we dan toch maar even terug moeten naar Vegas maar we gaan de andere kant op. San Francisco wordt onze volgende stop en we kunnen niet wachten. We verheugen ons met name op een lekkere douche en een lekker bed. Maar de reis duurt langer dan verwacht, is een beetje eentonig en we staan voortdurend in de file. Eindelijk komen we aan in het hotel maar helaas zijn de kamers nog niet klaar. Dat wordt een uurtje wachten in de lobby. Geen probleem voor de mannen, die hebben eindelijk Wifi. Twee uur later lopen we fris gewassen langs het water van de San Francisco baai. De wind wappert door onze haren, pelikanen scheren boven ons hoofd en de meeuwen schreeuwen er op los. We komen erachter dat we toch meer zee- dan bosmensen zijn. Hoe adembenemend mooi het allemaal ook was en hoe we ook genoten hebben. We staren over het water. Alcatraz ligt voor ons en Moos is er van overtuigd dat hij al zwemmend wel zou kunnen ontsnappen. We knikken (of hoofdschudden) lachend en nemen een cable car naar Fisherman’s wharf waar de robben lekker liggen te zonnen op de steigers. Als Moosje naar het water met de schuimkoppen kijkt, wordt hij toch onzekerder. Morgen, als we naar Alcatraz gaan, zullen we de echte escape verhalen horen. Even later zitten we in de taxi, op weg naar China town, bij de leukste chauffeur ‘ever’. Een oude hippie die in de jaren 70 in Amsterdam heeft gewoond. Prachtige verhalen en een batterij aan scheldwoorden met een vet New Yorks accent volgt. ‘Those millennium and nerds that work for Google , the bastards have more money than God but they don’t know shit! You live in Mamaroneck? I was born in The Bronx. Divers? Yeah, two Puerto Ricans live there, right?’  Hij zet ons af bij het beste Chinese restaurant in town waar we al snel aan tafel kunnen. De mannen grazen alle schalen leeg en binnen een uur staan we weer buiten. Door de koele straten van San Francisco lopen we weer terug naar het W hotel en ploffen we in de zachte kussens.

Morgen is er weer een dag.

Vallend water

De sfeer in dit park is er echt één van de paden op de lanen in. Vroeg op, wandelschoenen of sandalen met sokken aan en gaan. Ik voel me nog niet helemaal thuis tussen alle pluizen   maar het werkt aanstekelijk. De combi fietsen en hiken is wellicht een betere voor ons gezin want Moos en Doede hebben toch een lichtelijke antipathie opgebouwd tegen lange wandeltochten sinds The Bright Angel trail in The Grand Canyon. We fietsen langs The Majestic hotel en besluiten even naar binnen te lopen om voor vanavond een tafel reserveren. Dit hotel werd in 1927 gebouwd om rijkere mensen naar Yosemite te lokken. De hal, de lounge en de eetzaal, ze ademen allemaal Art Deco en Native American design. Kleurige motieven,  grote haarden en kroonluchters. Net zoals in The Grand Canyon is dit een historic landmark voor alle Amerikanen. Het lukt ons om een tafel te krijgen mits ik in jurk ga en de mannen allemaal een lange broek en shirt met kraag dragen. Dat wordt nog een opgave maar dat zien we vanavond wel. Yosemite falls wordt ons volgende doel. Na een half uur horen we het geluid dichterbij komen, de lucht wordt vochtiger, de stroom water door de rotsblokken heftiger en zien we de kracht van vallen water. We klimmen via de rotsen omhoog en de jongens zijn er als steenbokken vandoor. Doede voorop. Moos komt terug, die vindt de rotsen te glibberig, we zien Ties op eenzame hoogte naast de waterval staan en Doede is uit het zicht verdwenen. En bij de laatste weet je nooit of hij het gevaar wel ziet en dus gaat Jim erachter aan. Ik vind het ook mooi geweest en klim weer naar beneden. Tig prachtige foto’s rijker en zeiknat lopen we weer naar beneden en stappen op de fiets richting mirror lake. De middag is voor tukjes, boek lezen en zwemmen. Dat doet iedereen hier blijkbaar want het hele paviljoen ligt bezaaid met snurkende wandelaars. S’avonds krijgen Doede en Moos een poloshirt van Jim aan en blijkt Moos alleen een joggingbroek bij zich te hebben. In een soort V-formatie (ik in jurk en Jim in overhemd voorop, Moos in het midden en Ties en Doede op de flanken) benaderen we de gastvrouw. Deze stuurt zojuist een Russisch stel weg wegens het niet begrijpen van de dresscode. Moos blijft schaapachtig lachen en schiet met zijn benen onder tafel als we eenmaal zitten. Het diner  is fantastisch. Old school piano muziek, dikke steaks, lekkere wijn en prachtige toetjes en brandende kaarsen op tafel. Thuis gekomen vallen we in slaap. Heel kort want de overburen hebben een hele onrustige nacht.

Camp Curry

Hoe kan het contrast tussen landschappen zo groot zijn? Het ene moment rijden we door een dorre vlakte met 48 graden celsius op de thermometer en het volgende moment doemen de  bergtoppen met sneeuw in Yosemite op. Bij de ingang van het park staat een lange rij. En als we eindelijk in het park zijn, is het filerijden bij ieder uitkijkpunt en hoor je de fotocamera’s klikken. Het is ook prachtig. Waterval na waterval, kabbelende stroompjes en wilde watergangen. Moos weet ons te vertellen dat Yosemite een gigantische slapende vulkaan is die, als hij ooit weer uitbarst, heel Noord-Amerika en een deel van Canada van de aardbodem zal wegvagen. Lange slingerende bergwegen met metershoge naaldbomen leiden ons naar de plek waar we twee nachten zullen blijven. En dat is exact waar we nu zitten, in camp Curry. Een grote houten poort met letters van boomtakken verwelkomt ons. We moeten altijd even wennen als we op een nieuwe plek aankomen maar dit is wel heel erg ‘outdoorsie’ op z’n Amerikaans. Het is stervensdruk in dit park. Parkeren is al een probleem. Overal lopen mensen met hike-schoenen en wandelstokken. Er rijdt een echtpaar met ranger hoeden op vouwfietsen langs. Een mevrouw met te grote spijkerbroek en te lang blond pluizig haar werkt een grote pizzapunt naar binnen. De ene wandelaar ziet er nog ‘praktischer’ uit dan de ander. We slapen in een huisje van tentdoek waar de kampregels aan de binnenkant van de deur zijn opgehangen en buiten staat een berenbox waar alles wat een geur heeft, voedsel maar ook tandpasta en deo, in moet omdat je anders het risico loopt dat beren je tentje slopen.

Het voelt een beetje alsof we in een aflevering van Scoobiedoo terecht zijn gekomen. Zo eentje waar het monster van kamp Curry je de stuipen op het lijf jaagt. Anyway, we maken ons kwartier en gaan eens bedenken wat we morgen gaan doen. Het zal iets actiefs worden. Hiken en fietsen, denk ik;-)

De dode vallei

We laten Las Vegas achter ons en cruisen naar Death Valley. Het landschap verandert niet veel. Plukjes droog gras en vreemdsoortige cactusbomen breken het beeld van eindeloze kale woestijnvlaktes. Het valt me op dat dit soort gebieden in Amerika steeds indianenreservaten zijn. Leefgebied, aangewezen nadat ze verdreven waren uit vruchtbare gebieden, waar echt niets mee te doen is en waar voor het grootste gedeelte van het jaar geen druppel water te vinden is. EVen verderop ligt het spookdorp Ryolithe. We besluiten er een kijkje te nemen. In de verte doemt een klein houten hutje op. Een gigantisch roze beeld van een naakte dame en een rij spookachtige figuren staan in het verder volstrekt kale en afgegraven gebied. Het laatste avondmaal van de Belgische kunstenaar Albert Szukalski. Verderop staan een ruïne van een schooltje, de resten van een winkeltje en een oud gemeentehuis. Het is een bizar gezicht. We rijden verder de dode vallei in. De temperatuur stijgt snel. Het woestijn gebied is een grote dorre kale vlakte met hier en daar zandduinen. Het is inmiddels 48 graden buiten. We lopen een stukje door het snoeihete gele zand met dorre takken om heel snel weer terug te keren naar de airco van de auto. Eén mythe moeten we nog checken: of we hier echt een eitje kunnen bakken op de motorkap. Helaas….Het glijdt er vanaf en bakt lekker verder op het asfalt. Ties rijdt ons door de bergen. Haarspeldbochten en diepe afgronden, gapende gaten naar het diepste van de aarde en smalle doorgangen door rotspartijen. En het is ook nog de 13e. Gelukkig zit Jim naast hem aangezien ik niet de beste bijrijder ben en zelfs commentaar lever vanaf mijn plekje helemaal achterin de auto. We komen gelukkig veilig aan bij de tipitent waar we vannacht in slapen. Het lijkt een leuk een idee. Het zwembad is heerlijk, we eten een grote sappige T-bone steak aan een picknicktafel en drinken rode wijn. Als het donker wordt kruipen we de tipi in. Het is er redelijk koel en er zoemen geen muggen. Helaas blijkt de weg naast deze kampeerplek een hele drukke. Ik doe geen oog dicht. Vroeg op, ochtend duikje, ontbijten en wegwezen. Yosemite is de volgende stop. We slapen wel weer in een tent maar dan hopelijk met het geluid van ruisende bomen, vogeltjes, watervallen en wie weet het gebrul van beren.

Vintage Vegas

Het kwik loopt vandaag op tot 43 graden. We besluiten de auto te pakken en naar het ‘oude’ bord met ‘Welcome to Vegas’ aan het begin van de strip te rijden, de haaien van Mandalay bay te bezoeken en naar beneden af te zakken. Lopen is geen optie, echt te warm. Bij het bord staat een rij toeristen in de bloedhitte te wachten tot ze een foto kunnen maken. Twee danseressen met veren bieden zichzelf aan als decoratie. Moos blijft sjaggerijnig in de auto zitten terwijl wij niet in de rij gaan staan en snel een plaatje schieten naast het bord. De haaien in de koele omgeving van het aquarium inspireren. We moeten weer eens gaan duiken, vinden ze. Na drie kwartier staan we buiten. Het klinkt verwend maar ik weet eerlijk gezegd niet goed wat we hier de hele dag gaan doen. Gokken kan niet met de kinderen of vinden we toch niet leuk genoeg, we zijn gisteren al naar een show geweest, zwemmen doen we vanmiddag en eten gaan we straks pas. We passeren de pyramide met Sphinx, een immens groot hotel met blauwe en rode torentjes á la Disneyland en hotel New York, een mini Chrysler toren, een mislukte Empire State, een surrogaat vrijheidsbeeld en een Brooklyn Bridge op het trottoir. Verderop zijn we achtereenvolgens in Parijs, Rome en Venetië. Net als ik bedenk dat Vegas niet echt de stad voor me is, rijden we Fremont in. Het ‘oude’ Vegas. Mijn stemming slaat direct om. Alles ademt Elvis Presley en Liberace. De flikkerende uithangborden van de hotels als The Golden Nugget en El Cortez, de Fremont hotel. Overal staan oude (en nieuwe) gokautomaten te schitteren onder gouden plafonds met vergeelde systeemplafonds en hangen de kwartjes-telefoons nog aan de muur.  De ouderwetse reclamezuilen met pin up girls, martini glazen, cowboys en rode pumps zijn verschoten van kleur maar staan als markeringen van een vervlogen tijd op de promenade. Straatartiesten, mensen aan de zelfkant van de samenleving en natuurlijk gok-toeristen lopen af en aan op deze snoeihete boulevard. Het heeft iets nostalgisch en romantisch. Een trip door de jaren 50 toen de Goodfellas hier nog de touwtjes in handen hadden. Dit Las Vegas had ik niet willen missen. S’avonds eten we met de jongens in Hakkassan in het MGM hotel. Het is godvergeten duur maar lekker! De jongens zitten keurig met servet op schoot naast elkaar en genieten van ieder mooi hapje wat ze krijgen voorgeschoteld. We kletsen over de loungemuziek die we horen, over festivals, over DJ Tiesto die hier volgende week komt draaien, over de cocktails die Jim en ik drinken, over het heerlijke eten en over de hoogtepunten van onze reis. En over de WC hier waar Doede maar niet over uitgepraat raakt. Kortom over genieten.

Viva Las Vegas

We rijden door doods land. Het gras is dood, de rotsen indrukwekkend, dreigend en zwart en de weg eindeloos. We zijn op weg naar Las Vegas. De stad die gebouwd werd om mannelijke arbeiders in deze steenwoestijn te plezieren. Plotseling passeren we een stadje op de grens van Utah en Arizona, Colorado city. Er bekruipt ons een raar gevoel. De huizen zijn dichtgetimmerd of omgeven met containers, er staan geen reclameborden en er is geen leven op straat. Zou dit zo’n mijnwerkersstadje van Trump zijn? Ik google en weet niet wat ik lees. Colorado city is een stadje van ultra conservatieve mormonen, the LDS church. Hier wordt polygamie gepredikt. 20 vrouwen en 60 kinderen is hier heel gewoon. In dit stadje bepaald de geestelijk leider dat je als 12 jarig meisje moet trouwen met je neef. Hier zwaaide een van Amerika’s grootste kinderverkrachters de scepter en woonden de Laferty brothers voordat ze hun schoonzus en haar peuter dood schoten. In deze stad wonen de meeste mensen met aangeboren hersenafwijkingen van de wereld! We rijden er snel langs maar hebben het er nog heel lang over in de auto. Hoe is het mogelijk dat dit wordt toegelaten in ‘The free world’… Onder het mom van Gods woord, worden hier meisjes als sex-slavinnen of broedmachines behandeld en er kraait geen haan naar. Het voelt zwaar. We rijden verder door de bloedhete woestijn. En daar in de verte zindert een skyline. De lucht is mistig, de reclameborden worden ranziger. Casino’s poppen links en rechts overal op en zelfs het benzine station heeft gokkasten. Ik probeer me voor te stellen, wie er achter de fruitautomaten en speeltafels zien van deze voorstedelijke gokpaleizen. Hoe ‘braindead’ kun je zijn om hier je salaris, pensioen of uitkering naar toe te brengen? We rijden verder en the Bellagio, Venician, Cesars Palace, Palazzo, The Mirage doemen op. We zien de Eiffeltoren, het forum romanum, en het colloseum, alleen dan vele malen kleiner dan in het echt. In de verte staat eenzaam de gouden Trump tower. We gaan het beleven. Ocean 11 voor ons, The Hangover part 1, 2 en 3 voor de jongens. Het is het einde van de middag. De jongens gaan even zwemmen en chillen op de wifi in de airco en wij gaan even samen een drankje drinken. Dat mag ook wel na ons ‘sin’ loze avontuur in de Yurt. We lopen door de rijen met gokkasten en speeltafels, we drinken een drankje aan de bar en stoppen 5 dollar in de eenarmige bandiet. Met 10 dollar lopen we weer naar buiten naar het volgende glimpaleis. Ik klop op de zuilen die de galerij met plafondschilderingen van The Venician ondersteunen. Hol. Het water in de kanalen is zwembadblauw en TAO zit in een glimmend winkelcentrum van nepmarmer.

Tja, wat zal ik er van zeggen. Sin City, het is niet helemaal mijn stad, geloof ik.