Vintage Vegas

Het kwik loopt vandaag op tot 43 graden. We besluiten de auto te pakken en naar het ‘oude’ bord met ‘Welcome to Vegas’ aan het begin van de strip te rijden, de haaien van Mandalay bay te bezoeken en naar beneden af te zakken. Lopen is geen optie, echt te warm. Bij het bord staat een rij toeristen in de bloedhitte te wachten tot ze een foto kunnen maken. Twee danseressen met veren bieden zichzelf aan als decoratie. Moos blijft sjaggerijnig in de auto zitten terwijl wij niet in de rij gaan staan en snel een plaatje schieten naast het bord. De haaien in de koele omgeving van het aquarium inspireren. We moeten weer eens gaan duiken, vinden ze. Na drie kwartier staan we buiten. Het klinkt verwend maar ik weet eerlijk gezegd niet goed wat we hier de hele dag gaan doen. Gokken kan niet met de kinderen of vinden we toch niet leuk genoeg, we zijn gisteren al naar een show geweest, zwemmen doen we vanmiddag en eten gaan we straks pas. We passeren de pyramide met Sphinx, een immens groot hotel met blauwe en rode torentjes á la Disneyland en hotel New York, een mini Chrysler toren, een mislukte Empire State, een surrogaat vrijheidsbeeld en een Brooklyn Bridge op het trottoir. Verderop zijn we achtereenvolgens in Parijs, Rome en Venetië. Net als ik bedenk dat Vegas niet echt de stad voor me is, rijden we Fremont in. Het ‘oude’ Vegas. Mijn stemming slaat direct om. Alles ademt Elvis Presley en Liberace. De flikkerende uithangborden van de hotels als The Golden Nugget en El Cortez, de Fremont hotel. Overal staan oude (en nieuwe) gokautomaten te schitteren onder gouden plafonds met vergeelde systeemplafonds en hangen de kwartjes-telefoons nog aan de muur.  De ouderwetse reclamezuilen met pin up girls, martini glazen, cowboys en rode pumps zijn verschoten van kleur maar staan als markeringen van een vervlogen tijd op de promenade. Straatartiesten, mensen aan de zelfkant van de samenleving en natuurlijk gok-toeristen lopen af en aan op deze snoeihete boulevard. Het heeft iets nostalgisch en romantisch. Een trip door de jaren 50 toen de Goodfellas hier nog de touwtjes in handen hadden. Dit Las Vegas had ik niet willen missen. S’avonds eten we met de jongens in Hakkassan in het MGM hotel. Het is godvergeten duur maar lekker! De jongens zitten keurig met servet op schoot naast elkaar en genieten van ieder mooi hapje wat ze krijgen voorgeschoteld. We kletsen over de loungemuziek die we horen, over festivals, over DJ Tiesto die hier volgende week komt draaien, over de cocktails die Jim en ik drinken, over het heerlijke eten en over de hoogtepunten van onze reis. En over de WC hier waar Doede maar niet over uitgepraat raakt. Kortom over genieten.

Advertisements

Viva Las Vegas

We rijden door doods land. Het gras is dood, de rotsen indrukwekkend, dreigend en zwart en de weg eindeloos. We zijn op weg naar Las Vegas. De stad die gebouwd werd om mannelijke arbeiders in deze steenwoestijn te plezieren. Plotseling passeren we een stadje op de grens van Utah en Arizona, Colorado city. Er bekruipt ons een raar gevoel. De huizen zijn dichtgetimmerd of omgeven met containers, er staan geen reclameborden en er is geen leven op straat. Zou dit zo’n mijnwerkersstadje van Trump zijn? Ik google en weet niet wat ik lees. Colorado city is een stadje van ultra conservatieve mormonen, the LDS church. Hier wordt polygamie gepredikt. 20 vrouwen en 60 kinderen is hier heel gewoon. In dit stadje bepaald de geestelijk leider dat je als 12 jarig meisje moet trouwen met je neef. Hier zwaaide een van Amerika’s grootste kinderverkrachters de scepter en woonden de Laferty brothers voordat ze hun schoonzus en haar peuter dood schoten. In deze stad wonen de meeste mensen met aangeboren hersenafwijkingen van de wereld! We rijden er snel langs maar hebben het er nog heel lang over in de auto. Hoe is het mogelijk dat dit wordt toegelaten in ‘The free world’… Onder het mom van Gods woord, worden hier meisjes als sex-slavinnen of broedmachines behandeld en er kraait geen haan naar. Het voelt zwaar. We rijden verder door de bloedhete woestijn. En daar in de verte zindert een skyline. De lucht is mistig, de reclameborden worden ranziger. Casino’s poppen links en rechts overal op en zelfs het benzine station heeft gokkasten. Ik probeer me voor te stellen, wie er achter de fruitautomaten en speeltafels zien van deze voorstedelijke gokpaleizen. Hoe ‘braindead’ kun je zijn om hier je salaris, pensioen of uitkering naar toe te brengen? We rijden verder en the Bellagio, Venician, Cesars Palace, Palazzo, The Mirage doemen op. We zien de Eiffeltoren, het forum romanum, en het colloseum, alleen dan vele malen kleiner dan in het echt. In de verte staat eenzaam de gouden Trump tower. We gaan het beleven. Ocean 11 voor ons, The Hangover part 1, 2 en 3 voor de jongens. Het is het einde van de middag. De jongens gaan even zwemmen en chillen op de wifi in de airco en wij gaan even samen een drankje drinken. Dat mag ook wel na ons ‘sin’ loze avontuur in de Yurt. We lopen door de rijen met gokkasten en speeltafels, we drinken een drankje aan de bar en stoppen 5 dollar in de eenarmige bandiet. Met 10 dollar lopen we weer naar buiten naar het volgende glimpaleis. Ik klop op de zuilen die de galerij met plafondschilderingen van The Venician ondersteunen. Hol. Het water in de kanalen is zwembadblauw en TAO zit in een glimmend winkelcentrum van nepmarmer.

Tja, wat zal ik er van zeggen. Sin City, het is niet helemaal mijn stad, geloof ik.

Luisteren naar stilte

Als je de stilte al zolang niet meer hebt gehoord en al jaren niet meer functioneert zonder schermen, wifi of 4G, vallen er allerlei andere geluiden op. Het gezoem van de Mockingbirds, de wind door de takken van de bomen, het gekabbel van het kreekje aan de voet van de berg en het krekelconcert dat je s’nachts in slaap zingt. De rust en ontspanning die je vindt als je totaal van de buitenwereld bent afgesloten, is echt heerlijk. De jongens liggen verspreid over het terrein in hangmatten en Jim en ik genieten van het uitzicht dat zich uitstrekt rondom de yurt in het achterland van Zion. Dat ‘Glamping’ bevalt me wel. We liggen tenminste op normale matrassen met dekbedjes en hebben een schone WC en douche. En vandaag vertrekken we weer zonder dat we iets hoeven schoonmaken of opruimen. Heerlijk. Dat was twee jaar geleden op onze reis met RV langs de East coast wel anders. Zwetend lagen we op een plastic matras, moesten we iedere dag de plee legen, hadden we klamme handdoeken en douchten we in campinggebouwen met Hillbilly’s in Maine. Het enige beklemmende gevoel dat me even overviel, toen ik in mijn eentje achter Doede en Moos aan naar boven wandelde, is de angst om te verliezen. Jim en Ties besloten nog even door te hiken. De rest had geen zin meer (moos wilde even alleen zijn, Doede was bang voor de ratelslangen en ik had last van de blaren op mijn voeten) en liep terug. De sleutel van de Yurt had ik bij me maar die van de auto had Jim nog in zijn zak. Je maakt je eigen angst, dat weet ik ook wel, maar ik bedacht me dat de beslissing om terug te lopen zonder autosleutels nogal een cruciale zou zijn als er iets zou gebeuren met Jim en Ties. Minstens 12 km verwijderd van de bewoonde wereld, geen bereik tot op 30 km verder, wat doe je dan? En zou die ene vergissing dan een kapitale fout kunnen zijn waardoor je je dierbaren niet kunt redden en verliest?  ’S avond bij het vuurtje bleek Moos op zij terugtocht ook over die vraag na te hebben gedacht. Het valt me op hoe fijn we het vinden om met elkaar te zijn en hoe goed we elkaar ook kunnen laten zijn, wie we zijn. Ongeacht van de kleine onenigheden (Moos heeft zijn dwarse buien of kliert totdat we er allemaal gek van worden, Doede kan nog steeds niet tegen zijn verlies en Ties wordt soms gek van het hanengedrag of de pesterijen van zijn jongere broertjes) zijn we met zijn vijven een hecht teampje. Waarvan acte, want we zijn ervan overtuigd dat we hier de bedenkers van Djenga hebben verslagen. Onze toren was maar liefst 38 lagen hoog en alleen Morris kon de blokjes er nog opleggen. De rest was simpelweg te kort. We hebben gewandeld, gekaart, gelezen, gekookt, vuurtjes gemaakt en marshmallows geroosterd. En allemaal hebben we nagedacht over hoe fijn we het met elkaar hebben en hoe verschrikkelijk het zou zijn om elkaar te moeten missen. Op naar Las Vegas, het contrast kan niet groter!

The yurt

De dag van vertrek uit Springdale moet Ties nog even twee auditie-filmpjes opnemen voor een rol in een speelfilm waar hij twee dagen geleden voor gevraagd is. Een tikkeltje prikkelbaar en gespannen, heeft hij gisteren de teksten van de scenes uit zijn hoofd geleerd. We laten hem in het huisje, gooien de anderen in het zwembad en gaan inkopen doen voor ons spannende avontuur in het achterland van Utah. Als we wijn willen inslaan, zijn we weer even vergeten dat we in Utah zijn en regels rond alcoholverkoop en inname nogal streng en triviaal zijn. Je kunt hier nog geen mondwater gebruiken of je alcoholpercentage is al te hoog om te rijden. Helaas is er niets te krijgen, en zeker niet op zondag. Even zijn we uit het lood. We zagen onszelf al dagen met glas wijn in de hand van het uitzicht en de stilte genieten. Om de teleurstelling te verwerken nemen Jim en ik nog snel even een heilzame massage voor de nog steeds gekwelde spieren. Moos en Doede zijn zo luidruchtig in het zwembad(je) dat er verder niemand anders meer in zwemt. Even later speelt Ties op de parkeerplaats van Flannigan’s inn en in de auto zijn rol en probeer ik mijn tekst zo goed mogelijk voor te lezen. Jim fungeert als filmer/regisseur. Op de achtergrond horen we nog steeds het geplons, het gelach en geschreeuw van jut en jul. Om twee uur moeten we echt uitchecken en zijn de filmpjes nog niet gedownload. Tussen de prachtige bergen van Zion is het bereik en de wifi beroerd en het schiet maar niet op. We besluiten te gaan lunchen in het dorp en geduldig te wachten. We gaan immers naar Niemandsland in Utah’s backcountry waar we totaal ‘off the grid’ zijn. We vragen de serveerster of we twee flessen wijn bij haar kunnen kopen. Gelukkig zegt ze ja, mits ze ze mag ontkurken en we er wel allebei één glas van drinken…..Ik zou hier gek worden van de betutteling. Eindelijk zijn de filmpjes verzonden en kunnen we op pad. Het is een soort speurtocht naar het blauwe bord met Yurd Road. Halverwege komen we erachter dat we ijsblokken zijn vergeten te kopen en moeten we terug. Achterin wordt er steen en been geklaagd. Geen wifi, geen TV, wat gaan we daar in godsnaam doen. Mam, dit is zeker jouw idee, net zoals toen we bij de Amish gingen logeren. Geen ijskast? Jezus, dit worden echt de stomste twee dagen’. Als we eindelijk na een hobbelige ellenlange weg langs prachtige bergen en afgronden aankomen en de idyllische omgeving van onze Yurt hebben verkend, komt Moos naar me toe.  ‘Mam, ik vind dit stiekem heel erg lekker’.

Cruisen door de slagroomtaart

Ik heb nu niet alleen spierpijnen mijn bovenbenen en kuiten maar ook in mijn binnenste dijen, onderrug en armen van het paardrijden. Ik schuifel als een oud vrouwtje door het leven maar ben ondertussen zo happy met alles wat we meemaken en zien. Grappig genoeg begint deze dag echter niet helemaal ideaal. Ons vertrek uit Monument Valley loopt soepel maar aangekomen in the Antilope Canyons, onze tussenstop richting Zion, is ons humeur nou niet om over naar huis te schrijven. Het is bloedheet, zo’n 40 graden, het landschap is eentonig rood en dat wat mooi is, blijkt alleen bereikbaar met 100.000 andere toeristen in een wagon met schaduwdak en grote reclameletters. We hebben er allemaal geen zin in en we besluiten dit programmapunt, hoe mooi het waarschijnlijk ook is, van onze reislijst te skippen en te gaan lunchen in ‘het grootste drijvende restaurant’ van de wereld. Tenminste zo wordt het verkocht. Het wordt een zweterig brandende wandeltocht over een ‘never ending’ loopplank richting een ongezellig groot leeg restaurant aan het bijna opgedroogde Lake Powell. Een Amerikaanse met bambi-ogen en Nickelodeon stem bedient ons. ‘Hi, I am Peyton, I am your waitress for today. Would you like anything to drink, besides water?. Our specials are……’ Snel werken we onze salades en inktvisringen naar binnen en strompelen we de inmiddels ondraaglijk warme loopplank weer op naar boven. Blijkbaar is dit gebied niet onze plek. Als ik achter het stuur zit, is iedereen zo’n beetje in slaap gevallen. Ik cruise in stilte over een ellenlange heuvelachtige weg. Door de voorruit van onze Dodge zie ik het nieuwe landschap. Het lijkt wel een lappendeken. Utah is, anders dan Arizona, niet alleen rood en droog. Het is een roze rode lappendeken, met groen en grijs en blauw. We zijn op weg naar Springdale in Zion. Na een bochtige weg met stevige dalingen en stijgingen moeten we tanken. Ik kan bovendien wel een koffietje gebruiken. De mannen worden wakker en het tankstation blijkt een ware schatkamer. Witte vossebontjes, geweren, sherrif-sterren en opgezette jacht trofeeën. Wanneer we verder rijden doemen er uit het niets enorme slagroomtaarten op. ‘Blobs’ en bubbels uit een vulkanische tijd miljoenen jaren geleden. Het is alsof de hele binnenkant van de aarde in bubbels lava tot ongekende hoogte naar buiten is gekotst. Ronde vormen waar de erosie met enorme kaken gaten in heeft gebeten. Ruwe kloven tussen borstige bergen en zilvergrijze plateaus. Ademloos rijden we verder door tunnels en over haarspeldbochten tot we in onze kleine groene oase, Flannigan’s Inn, aankomen. Even een dagje lekker eten, een zwembad en een massage bij een spa voordat we twee dagen echt van de kaart verdwijnen. De jongens worden gek bij het idee alleen al. Een yurt in ‘the middle of nowhere’ zonder electriciteit en stromend water? Geen wifi? Geen bereik? Het is in ieder geval totaal uit onze comfort zone. En dat is ook helemaal de bedoeling.

How the west was won

19756403_10213494199213620_2198619666487395866_nWe zien de zon opkomen. De zwarte schaduwen van de monumentale rotsformaties steken scherp af tegen de oranje lucht. Contouren die voor altijd in mijn netvlies gekerfd staan. Kleine stoftornadootjes waaien over de kale vlakte terwijl de zonnestralen de lucht direct verwarmen. Aan de voet ligt een indianendorpje, compleet met hogan’s (kleihutten) en tipi-tenten. Het is echt alsof we in een film zijn beland. Even later maken we zelf ook deel uit van het decor van de Westernfilms van weleer. We rijden over een hobbelig zandpad door Monument Valley waar de rotsen allemaal een naam hebben. De Navajo zorgen voor dit stukje moeder aarde sinds ‘the trail of tears’. Het is onvoorstelbaar dat er nog steeds 8000 indianen in Monument Valley wonen. Droogte, stof en nergens water. Het is nog vroeg en dus stil in het park. Het hobbelige zandpad neemt ons mee langs The mittens, the elephant, John Waynes point, the totempole, the thumb en the three sisters. Achterin wordt er commentaar geleverd. ‘Ik zie echt niet dat dat een olifant is’. ‘Zijn gewoon rotsen’. In de middag piepen ze wel anders. We rijden paard met een local. Op 5 mustangs ‘cruisen’ we door het droge rode landschap. Moos natuurlijk voorop, ik achteraan. Zo’n beetje in de volgorde die we ook altijd met skieën hebben. Ik weet dat Ties zich altijd kapot ergert aan dat Alpha mannetjes gedrag van zijn jongere broer maar hij is nu te druk met zijn paard, een prachtige gevlekte merry. Doede rijdt voor me. Hij heeft het hoogste woord en vindt het fantastisch. Ik krijg stoflongen en ben waarschijnlijk roodgekleurd na deze rit maar dat mag de pret niet drukken. We draven en galopperen langs de rotsen. Al bliift het paard van Doede, al doet hij nog zo zijn best, in draf en schudt de kleine man heen en weer in zijn zadel. Als ik eindelijk voorop rijdt, zijn de opmerkingen niet van de lucht. ‘Maham, can you go any slower?’. Djeez mom, I thought you had lessons when you were a girl’. Moos draaft ons voorbij om toch weer de voorste te zijn totdat onze gids dat ook doorheeft en Doede zijn lasso geeft. Hij stuift ervandoor. En de rest erachteraan. De wind steekt op als we bij de stallen aankomen en doet het stof nog eens opwaaien. Moe maar voldaan zadelen we de paarden af. Twee grote witte hengsten staan op hun achterpoten. Nathalie Wood en John Wayne. Je ziet ze hier op de veranda van het kleine stalletje even uitblazen. We duiken het zwembadje in en spoelen het rode plakkerige zand en de hitte van ons af. Morgen reizen we verder.

Indianen kathedralen

Jezus wat heb ik een spierpijn. Mijn bovenbenen, kuiten, voeten. Het is 5.15 in de ochtend en Jim en ik stiefelen langs de rim van de Grand Canyon. We kijken naar beneden naar het pad in de verre diepte. Ik kan niet geloven dat we gisteren uit dat dal zijn gekropen. Vandaag vertrekken we naar Monument Valley. We rijden langs de Navajo route door het landschap van de maan of dat van Mars. De rivieren zijn opgedroogd. Hoe vind je hier water in dit seizoen? Wat heb je aan deze stuifduinen en droge graswoestijn zonder bomen? Links en rechts staan trailers in dit droge desolate gebied. Langs de weg borden met boodschappen tegen Meth-misbruik. Twee gerimpelde indiaanse Navajo vrouwtjes staan bij de plaatselijke supermarkt die nauwelijks goedkoper is dan in New York. We kopen lunch en diner. ‘Can I buy wine or beer somewhere?’ ‘No, the next liquor store is a 2 hour drive away’. Ik kijk de mevrouw achter de kassa onbegrijpend aan. ‘You’re in reservation’, bijt ze me toe. Ik voel me een enorme onbenul. Het wordt een nuchtere twee dagen want in de wijde omtrek is het verboden alcohol te verkopen. Op naar Gouldings lodge dan maar. Een oude trading post en de plek waar John Wayne sliep als hij zijn Westerns opnam. We rijden Monument Valley in. Kathedralen van rotssteen rijzen op aan de horizon. Het is de romantiek van Hollywood. Cowboys en indianen. Henry Fonda, Clint Eastwood, Thelma and Louise, Back to the future, allemaal hadden ze dit decor. De jongens willen even rust en spelen een spelletje kaart met uitzicht op deze monumenten van de tijd. Morgen gaan we deze giganten maar eens van dichtbij bekijken.

Ain’t no mountain high enough

Het is kwart over 5 als de zon opkomt. Doede is jarig en we zitten op een muurtje. Onze benen bungelen boven de Canyon en de zonnestralen schitteren in strepen de hemel in. Daar volgt de vuurbal. Doede kijkt naar het zonlicht dat weerkaatst op de rotspartijen en dat langzaam de oranje steenmassa doet opvlammen. ‘Mooi he mam?”. Het is zijn dag. We staan op, gaan douchen en ontbijten stevig, vrolijk en opgewekt, niet wetend wat ons nog te wachten staat. Het is 7.30 in de ochtend als we klaar staan voor de hike. Rugzakken vol waterflessen op de rug en glimmend van de zonnebrand. We hebben bananenbrood ingeslagen, wat trailmix gekocht en koekjes bij ons. Dat moet lukken. Vol goede moed dalen we af in de steenmassa. Gaat best lekker zo, naar beneden. Energiek en fris maken we vrolijk foto’s van al het prachtigs wat we om ons heen zien. We zien ze wel, de mensen die naar boven lopen. Hijgend en puffend met rode kloppende hoofden. En ook al weten we dat je twee keer zo lang moet rekenen voor de terugtocht, het lijkt toch niet helemaal tot ons door te dringen. Na 1,5 uur afdalen, lopen de jongens ver voor ons uit. Af en toe zie ik ze met zijn drieën twee of drie haarspeldbochten verder lopen. Wij doen het op ons eigen tempo. We zijn op weg naar Indian Garden. Inmiddels weet ik dat ik de rand van de klif in deze bloedhitte zeker niet ga doen. Het zicht op Colorado river kan me gestolen worden. Na 2,5 uur is er de koele groene schaduw van bomen en een klein kreekje waar we even kunnen rusten. Voeten in het koude water. Ik kijk omhoog en zie de immense muur van steen hoog boven me uit torenen. We moeten nog terug….Mijn geest speelt vervelende spelletjes met me, als de jongens alweer opstaan om te vertrekken. Jim ligt ook nog even voor pampus achter me dus we besluiten dat zij voorop gaan met z’n drieën en dat wij later volgen. En weg zijn ze. Wat even later volgt voor ons is een loodzware tocht naar boven in een zinderende bloedhete zon. We drinken water alsof we voortdurend uitgedroogd zijn en dat stevige ontbijt en bananenbroodje blijkt toch echt te weinig. Trillend komen we aan bij de eerste waterpost. Ik krijg een electrolyte drankje van een jong stel dat wel wist waar ze aan begonnen waren en maak mijn shirt nat om weer verder te klimmen. Op naar de tweede post. Als het doel zo hoog en steil is, moet je het maar in kleiner porties opdelen. Hijgend bereiken we die ook. Tweederde zit er op maar nog steeds is de muur van steen onmetelijk hoog. Om ons heen is iedereen oververhit en bekaf. De jongens bellen. We hebben weer bereik en gelukkig zitten ze met z’n driëen aan een grote bak ijs en een fles Gatorade. Zij wel, wij moeten nog door, het kan niet anders. Bocht na bocht kruipen we de rotspartij op en eindelijk zien we letterlijk het licht na de eerste tunnel. We zijn er! Als ik naar beneden kijk, geloof ik mijn ogen niet. Tijd voor een groot verjaardagsdiner met een dikke steak en grote toetjes.

Out of this world

Na een stevig ontbijt in een diner die zo als decor voor ‘Happy days’ zou kunnen doorgaan, reizen we via route 66 naar The Grand Canyon. Ties rijdt een stukje. Langs de weg roestige autowrakken en saloons. De lucht trilt boven het snoeihete asfalt en de horizon is eindeloos. Heuvels wisselen zich af met droge vlaktes. Ik kijk door mijn raampje naar buiten en vraag me af wanneer die Canyons nou eigenlijk in het zicht komen. En dan eindelijk een bord. We zijn er bijna. Wat volgt is een route met steakhouses, giftshops, adventure tours en helikoptervluchten. Het is waanzinnig druk en Ik vraag me af of het niet te toeristisch is. Het is ook nog the 4th of July. Maar ik val stil als we voor het eerst de rim benaderen. ‘Out of this world’. Zo groots en heftig. De kleuren, de vormen, de dieptes. Het is letterlijk adembenemend. We zetten de koffers en tassen in onze hutjes en gaan op pad. Met een flesje water. Vandaag lopen we langs de rim, morgen hiken we de canyon in. Het is bloedheet, zo’n 35 graden. En weer, voor de zoveelste keer in ons leven, zijn we toch niet helemaal goed voorbereid op een hike zoals deze. We hebben ons wel goed ingesmeerd en allemaal een pet of een hoed op maar de jongens hebben hun fles water al op voordat we überhaupt op de helft zijn, en mijn watertje is meer een flesje thee geworden. Voordat we het eindpunt hebben bereikt, keren we terug wegens grote dorst. Ik klok een koud glas bier achterover en kom weer een beetje bij. Ties ziet in de verre diepte een pad liggen dat naar de rand van de klif leidt. The Bright angel trail. Het ziet er ambiteus uit maar morgen doen we het anders. Rugzakken met water en trailmix mee.

Van Lala land naar Trumpland

De mannen nemen een duik in The Pacific en ik maak ontbijt. Straks nog een laatste stroll door Venice, T-shirts kopen, en dan reizen we af naar Kingman, Arizona. We gaan op deze trip 4 staten aandoen, besef ik me. Vandaag pakken we Route 66 naar Oatman, het Volendam van het wilde westen…Het is bloedheet (38 graden) als we even moeten tanken en plassen. Dat verhaal over koekjes bakken onder je voorruit en eieren op de motorkap is echt geen broodje aap. In Oatman aangekomen, weten we niet wat we zien. Het oude golddigger-dorp is in 1940 verlaten, behalve door de ezels, die er rondlopen. Een spookstadje is het allang niet meer, het is inmiddels een toeristische trekpleister, maar je waant je wel in ‘How the west was won’. Saloons, werkplaatsen, oude mijnschachten en stoffige straatjes. In de plaatselijke herberg zit een oude cowboy te zingen en het plafond is bezaaid met 1 dollarbiljetten. Zo’n 150.000 in het totaal. De serveersters hebben huiden van leer en zijn bezaaid met tattoos van indianenveren. Tegenover ons zitten twee dikke Amerikanen aan een tafeltje met roodgeruit kleedje, hun burgers naar binnen te werken. The confederate flag wappert op het dak. Van La la Land naar Trumpland. We vervolgen onze weg ver route 66 naar Kingman. Adembenemende vergezichten, bergen, rotspartijen en heuvels wisselen zich in elkaars schaduw af. Het lijkt op een eindeloos maanlandschap.  We stoppen even bij een oude benzinepomp in Coldspring waar het zo stil is dat je de wind hoort. Geen vogels, geen verkeer, alleen wij. We maken foto’s en selfies, liggend op het asfalt met het Route 66 embleem. In een steakhouse hebben we gesprekken over reizen, groot groeien, onzekerheid, vriendschappen, opvoeden en we maken grappen over de idiote plek waar we nu weer zijn beland. Vannacht slapen we in een ouderwets Motel, met kromme cactus en lelijke lichtreclame. Aan route 66.